winter
Een gewone ochtend.
Dromerig kijk ik naar buiten, herfstkleuren vermengd met beginnende
winter.
In gedachten wandel ik door de sneeuw.
Lange leren jas aan, hoge laarzen en verder niets
Alleen jij en ik weten dit, ons geheim.
We wandelen verder, hand in hand, stilzwijgend, genietend van de pracht
om ons heen en in ons binnenste.
De opkomende zon kleurt de sneeuw zachtroze, tegen de lichtblauwe lucht
tekenen zich de contouren van een klein stenen schuurtje zich af.
We kijken elkaar aan.
Ik voel hoe een warme kriebel zich nestelt in mijn buik. Mijn hand knijpt
ietsje harder in de jouwe. Je blik verandert, je kijkt me vertederd
aan en kust mijn voorhoofd.
Wanneer we voor het schuurtje staan blijf ik even stil staan.
Kijkend naar de witte wolkjes van mijn eigen adem, het verkleuren van
de lucht, ik kan me er niet toezetten de drempel over te stappen. Wetend
dat de magie en rust van dit moment dan verdwenen zijn en ik in een
andere wereld stap.
Die andere wereld roept me, mijn eigen behoeftes
en verlangens lijken al bijna over de drempel te zijn gestapt.
Jij staat achter me, loopt langs me heen en opent het kleine deurtje
van de schuur.
Piepend en krakend gaat ze open alsof ze moeite heeft haar binnenste
aan ons te laten zien.
Ik voel me bijna één met de schuur, ik vraag me af of
ik mijn binnenste aan jou wil laten zien.
Nog steeds sta ik buiten, het is alsof de wereld stilstaat.
Je hoeft mij niets te vragen, ik hoef niets te zeggen.
Beide weten we, eenmaal over de drempel geef ik me over aan jou, laat
ik controle los en open mijn binnenste voor jou.
Ik hoor hoe je heen en weer loopt, hoe je het schuurtje in je opneemt,
kijkt welke mogelijkheden je er aantreft. Nog steeds sta ik buiten,
het is alsof het blauw van de lucht zich vermengd met het blauw uit
mijn ogen. Ik kan me niet losmaken uit dit geheel, voel me één
met de plaats waar ik ben en wil de betovering niet verbreken.
Jij stapt weer naar buiten en kijkt me aan.
Niet vragend.
Niet dwingend.
Gewoon jouw blik, die zo vertrouwd is.
Ik pak je hand en stap over de drempel naar binnen.
Kans om om me heen te kijken krijg ik niet, ik voel hoe je van achter
een sjaal voor mijn ogen bind.
Doodstil blijf ik staan, me afvragend wat
er voor me staat of het veilig is een stap te zetten.
Ik besluit stil te blijven staan.
Jij loopt achter me weg, ik hoor het piepen en kraken van het deurtje,
het is alsof ze met minder protest sluit dan ze zich opende.
Ineens lijkt de wereld buiten ver weg te zijn, ik probeer het beeld
van net voor de geest te halen. Concentreer me op sneeuwlandschappen
en gekleurde wolken in de lucht.
Onverwachts voel ik je handen op mijn schouders, je verteld me mijn
jas uit te trekken.
Rillend laat ik mijn jas van mijn schouders glijden.
De kille lucht streelt mijn huid. Ik ril, van kou zowel als van verlangen
aangeraakt te worden.
Het blijft stil.
Ik luister naar mijn eigen ademhaling, zoek
naar de jouwe.
Even is er onrust, ik hoor je niet meer, ik voel je aanwezigheid niet
meer.
In mijn binnenste begint het te draaien, ik herken het gevoel.
Berustend laat ik me meevoeren door het zwevende gevoel dat vanuit mijn
binnenste omhoog zwelt.
Vanuit het niets weer jouw handen op mijn lichaam. Je streelt vederlicht
mijn huid die door de kou toch al zo gevoelig is.
Ik kan de rillingen niet tegenhouden. Bijna kan ik je horen glimlachen
wanneer je vraagt wat er is. Ik bijt op mijn lip, niet van plan iets
te zeggen.
Je knijpt in één van mijn tepels en vraagt me nogmaals
wat er is. Dit keer ligt er meer dreiging in je stem en ik weet dat
je mijn neiging tot spelletjes spelen niet zal tolereren dit keer.
Fluisterend zeg ik dat ik 't koud heb. Hierop
antwoord jij dat je daar wel een oplossing voor hebt.
Je pakt mijn beide polsen en bind er een stuk touw omheen.
Vervolgens laat je me een paar stappen naar voren doen en bind mijn
armen boven mijn hoofd vast aan een van de balken (vermoed ik).
Je loopt om me heen en mompelt dat er iets mist. Mijn onderdanigheid
antwoordt zonder strijd en vanzelf spreid ik mijn benen. Jouw goedkeuring
uit zich in een heerlijk strelen van mijn inmiddels koel geworden huid.
Net wanneer ik me wil overgeven aan jouw liefkozingen is de warmte en
geborgenheid van jouw aanraking verdwenen.
Mijn lichaam spant zich, ik luister naar jou voetstappen. De oude balken
die kraken onder je voeten. Na een korte tijd ontdek ik dat de planken
links achter me harder kraken dan aan de rechterkant en wanneer je me
vanaf die kant plotseling aanraakt glimlach ik omdat ik je aanraking
verwacht had.
Ik kan je ongenoegen hierover bijna horen en mijn glimlach blijft even
op mijn lippen liggen.
Je mompelt iets en ik weet dat ik nu iets in je heb aangewakkert.
Het kraken vertelt me dat je bij me vandaan loopt. Mijn lichaam voelt
nog steeds even gespannen als net, maar het gevoel iets meer controle
te hebben maakt me rustig.
Tot ineens je me met iets op mijn borsten tikt, totaal onverwachts en
ik uit een kreet van schrik en boosheid.
Ik hoef je gezicht nu niet te zien om te
weten dat je tevreden glimlacht, tevreden omdat het je weer gelukt is
me te verrassen. Wanneer je opnieuw een regen van korte felle tikjes
op mijn borsten laat neerkomen begin ik het gevoel te herkennen en weet
ik dat mijn nuchterheid eerder vandaag gelijk had.
Dit was geen toeval.
Ondanks de scherpe pijnstootjes die door mijn lichaam trekken ontspan
ik me enigszins, wetend dat je dit voorbereid hebt en er geen toevalsfactor
was.
Je wisselt pijn af met strelingen en het wordt steeds moeilijker voor
me om mijn hoofd helder te houden.
Nog steeds ben ik niet van plan toe te geven aan dat verlangen diep
van binnen.
Ik kreun, ik kronkel, ik smeek, ik vraag en jij
.je geeft,
je zwijgt, je stemt in, je geeft toe, je verrast,je geeft niet. Wanneer
mijn borsten lijken te branden en ik het gevoel heb niet veel meer te
kunnen hebben stap je bij me vandaan.
Ik hoor de wind om t schuurtje fluiten, word
me bewust van de
koude lucht en ik begin te rillen.
Jij loopt om me heen. Ik hoor hoe je rommel, het kraken van de planken
verteld me niet langer meer waar je staat. Ik begin de controle kwijt
te raken.
Toch blijf ik gespitst op de geluiden, op jouw voetstappen, op het rommelen
dat je doet.
Nog steeds probeer ik te voorspellen wat je van plan bent.
Ik voel jouw warme adem over mijn huid gaan, via mijn nek, mijn schouderbladen,
mijn onderrug, mijn billen. Het warme gevoel van jouw adem op mijn huid
blijft telkens maar eventjes en wordt al snel vervangen door kou.
Steeds intenser verlang ik naar jouw aanrakingen.
Je speelt dit spel nog een tijdlang door tot ik moeite ga krijgen met
stil staan en stil zijn.
Ik hoor de zoete ondertoon in je stem wanneer je me vraagt of er iets
is.
Wanneer ik bits antwoord dat er niks is hoor ik de donkere dreiging
in je stem dat ik dan ook stil moet blijven staan omdat er dan toch
niets aan de hand is
?
De vraag blijft in de lucht hangen, ik vecht met mezef. Met mijn moeite
je te vragen, met mijn weerstand tegen vragen.
Ik voel een natte vinger op mijn huid, waar
je vervolgens nog even op blaast, de kou daarna lijkt nog scherper te
zijn dan voorheen en mijn verlangen naar warmte en aangeraakt worden
wordt steeds sterker maar niet sterk genoeg om me over die dremel in
mezelf te helpen.
Tergend langzaam blijf je dit spel volhouden. Ik heb al mijn kracht
nodig om stil te blijven staan en niet bij je vandaan te stappen (voor
zover mijn armen dat toelaten).
Ik voel je langs me heen stappen en weet dat dit proces zich gaat herhalen
maar nu gericht op andere delen van mijn lichaam.
Zachtjes kreun ik, een zwak protest borrelt naar boven, bijna onhoorbaar
fluister ik of je ermee wilt stoppen.
Jij zegt niets, doet niets, raakt me niet aan maar laat de dreiging
tussen ons hangen.
Van binnen is de strijd ongeveer op het heftigste punt beland.
De strijd tussen gewillig ondergaan of vragen om waar ik naar verlang.
Ik hoor je ademhalen, hoor hoe je je longen vol zuigt en zacht fluister ik de woorden waar je op hebt gewacht.
© MisTique
